Onweerlegbaar vs weerlegbaar vermoeden van vergunning
Het vermoeden van vergunning van art. 4.2.14 VCRO geldt is ofwel onweerlegbaar, ofwel weerlegbaar:
- bestaande constructies waarvan wordt aangetoond dat ze gebouwd werden vóór 22 april 1962, worden te allen tijde geacht te zijn vergund [onweerlegbaar]
- bestaande constructies waarvan wordt aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan, worden geacht te zijn vergund [weerlegbaar]
Het weerlegbaar vermoeden van vergunning kan worden tegengesproken middels een PV of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie.
Het tegenbewijs kan niet meer worden geleverd eens de constructie één jaar als vergund geacht opgenomen is in het vergunningenregister.
Deze regeling geldt niet indien de constructie gelegen is in een ruimtelijk kwetsbaar gebied.
Er kan niet worden teruggekomen op rechterlijke beslissingen die het vergund karakter van een constructie tegenspreken.