Blogberichten
Onze blogberichten proberen de juridische actualiteit in het omgevingsrecht, het bestuursrecht en het vastgoedrecht op de voet te volgen.
19-11-2024
In het arrest van 24 oktober 2024 met nummer RvVb-A-2425-0138 in de zaak met rolnummer 2324-RvVb-0814-A spreekt de RvVb zich uit over de scheiding der machten, en het gezag van gewijsde van burgerlijke uitspraken voor het bestuur. In een goed gemotiveerd arrest zet de RvVb de puntjes op de i. De deputatie van de provincie Limburg wordt teruggefloten
Met een besluit van 2 mei 2024 verleende de deputatie van de provincie Limburg een omgevingsvergunning voor het regulariseren van carport tot tegen de linkerperceelsgrens, functiewijziging van tuinberging naar tuinkamer en de aanleg van een verhoogd terras.
Het Antwerpse hof van beroep oordeelde bij arrest van 7 november 2023 eerder dat het wederrechtelijk opgehoogde terras van de vergunningsaanvrager hinder veroorzaakt aan de buren. Doordat de vergunningsaanvrager zijn terras ophoogde met 52 centimeter, terwijl de afsluiting 2,06 meter hoog is, staat het vast dat er een
directe inkijk – over de omheining heen – mogelijk is in de richting van het terras en de strook tussen de achterzijde van het huis en het zwembad van de buren. Het arrest beveelt aan de tvergunningsaanvrager om het volledige terras ter hoogte van hun tuinberging, inclusief de opgehoogde fundering, af te breken binnen de zes maanden na betekening van het arrest, onder verbeurte van een dwangsom.
Niettemin heeft de deputatie daarna toch een regularisatievergunning afgeleverd. Tegen deze vergunning werd beroep aangetekend bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb).
Volgens de RvVb volgt uit art. 81 van het Omgevingsvergunningsdecreet dat een definitief geworden rechterlijke veroordeling tot herstel in de oorspronkelijke toestand de afgifte van een regularisatievergunning niet altijd in de weg staat.
Omwille van de eerbied voor het gezag van het rechterlijk gewijsde, het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten en het fundamentele beginsel dat rechterlijke uitspraken alleen door de aanwending van rechtsmiddelen gewijzigd kunnen worden, moet de in artikel 81, §3, tweede lid van het Omgevingsvergunningsdecreet besloten mogelijkheid om werken te regulariseren waarvan de rechter de verwijdering bevolen heeft, met terughoudendheid worden toegepast.
Het is met de genoemde fundamentele rechtsbeginselen onbestaanbaar dat het bestuur met een pennentrek ongedaan maakt wat de rechter bevolen heeft.
Uit artikel 40 van de Grondwet vloeit de plicht voort voor het bestuur om mee te werken aan de uitvoering van vonnissen en arresten. Een afwijking van dit beginsel kan slechts worden aanvaard wanneer het bestuur zich beroept op een motief waarmee dat bestuur rekening mocht houden en waarmee de burgerlijke rechter geen rekening heeft kunnen houden en dat steunt op een vaststaande en zwaarwichtige vereiste van openbaar belang, die des te dwingender moet zijn naarmate meer tekort wordt gedaan aan de uitspraak van de burgerlijke rechter
De toepassing van artikel 81, §3 van het Omgevingsvergunningsdecreet vergt een omstandige motivering die duidelijk maakt op grond van welke gewijzigde stedenbouwkundige omstandigheden het bestuur oordeelt dat de werken vergund en dus behouden kunnen blijven, zonder in conflict te komen met de rechterlijke uitspraak die het herstel in de oorspronkelijke staat bevolen heeft.
Een gewijzigde wettelijke context kan een omstandigheid uitmaken die de afgifte van een regularisatievergunning wettigt na een definitief geworden herstelmaatregel. Waar de rechter in de hersteluitspraak tot de strijdigheid van de werken met niet langer geldende voorschriften besloten heeft, verhindert het gezag van gewijsde niet dat het vergunningverlenend bestuursorgaan de bestaanbaarheid van de regularisatieaanvraag met de nieuwe of gewijzigde voorschriften onderzoekt.
Ook feitelijke evoluties kunnen tot gevolg hebben dat werken die ten tijde van de rechterlijke uitspraak wettelijk niet toelaatbaar waren, thans wel vergund kunnen worden. De rechter beslecht het geschil op basis van de hem voorgelegde feiten waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Dat omlijnt het gezag van zijn uitspraak. Op toekomstige feitelijke ontwikkelingen kunnen de partijen en de rechter niet vooruitlopen. Het komt het vergunningverlenend bestuursorgaan toe om, ook bij ongewijzigde regels, te beoordelen of in het licht van de nieuwe feiten de werken geregulariseerd kunnen worden.
Een omgevingsvergunning voor de bouw van een scheidingsmuur kan volgens de RvVb niet zonder meer beschouwd worden als een wijziging van de feitelijke omstandigheden, aangezien het hoogst onzeker is of deze ooit uitgevoerd zal worden. De door de deputatie opgegeven motivering wordt niet aanvaard, en de regularisatievergunning wordt terecht vernietigd.
Neem contact op voor een vrijblijvend gesprek